‘Dat is een van onze ambities: dusdanig hoogwaardig onderzoek doen dat daar een nobelprijswinnaar uit kan voortkomen’

Development

Als twee alumni van naam zich sterk maken voor het vernieuwde Erasmus Trustfonds, zijn er duidelijk grootse plannen. Frans van Houten en Michiel Muller vertellen waarom ze zich juist voor deze universiteit inzetten, en waarom juist nu. 

Afbeelding: 

NAAM: Michiel Muller (links op foto)
LEEFTIJD: 53 jaar
STUDIE: Bedrijfseconomie (1989)
FUNCTIE: Ondernemer, voorzitter Erasmus Trustfonds

NAAM: Frans van Houten (rechts op foto)
LEEFTIJD: 57 jaar
STUDIE: Economie en Business Management (1984)
FUNCTIE: Voorzitter Raad van Toezicht Erasmus Trustfonds, bestuursvoorzitter Koninklijke Philips

Zaterdagochtend, rotweer en hartstikke vroeg, maar Frans is al binnen. Als eerste.
‘Zo gaat dat,’ zegt hij terwijl hij zijn tas neer­ zet in de universiteitsbibliotheek. ‘Wie van ver komt, is op tijd.’ En met genoegen, ook nog, want zijn leven voer langs vele coördinaten – startpunt Eindhoven, huidige standplaats Amstelveen, en tussendoor een waaier aan stages en banen in andere landen – maar hier, in de oude bibliotheek van campus Woudestein, is hij in één klap terug op het oude honk. Mijmerend: ‘Ik heb hier heel wat uren zitten blokken, al studeerde ik ook net zo makkelijk op mijn studentenkamer. Lekker ko etje erbij, prima.’

U vond de studie makkelijk, daar komt het eigenlijk op neer.
Frans: ‘Ja. Wel veel, maar niet supermoeilijk. Er was tijd voor andere dingen. Rotterdam was toen al een fantastische stad, er was altijd wat te doen. Als student hielp ik sche­ pen lossen in de haven, dan werkte je tien uur achter elkaar door. En als je daarna ver­ tier zocht, ging je naar de Westzeedijk, of de Binnenweg. De wat ruwere kant van Rotterdam, zeg maar.’ Michiel (opgegroeid in Heemstede, maar zoon van een echte Rotterdamse, bij wie ‘tram’ rijmde op ‘boter­ ham’) komt binnenlopen: ‘Veel zeemannen en criminaliteit.’

Kon je daar als bleue student naar toe?
Frans: ‘Ja, júist.’
Michiel: ‘Dat was het leuke aan Rotterdam: als student maakte je deel uit van de com­ munity. Anders dan in bijvoorbeeld Leiden of Delft leefde je hier niet uitsluitend in je eigen wereld. Hier moest je je wel mengen met andere mensen, om de eenvoudige reden dat je in de minderheid was.’
Frans: ‘Dat kwam ook door die bijbaantjes. Als student deelde ik de kantine met de havenarbeiders.’
Michiel: ‘We zaten ook veel in Locus, hoor. Maar toch: je hoort vaak dat Rotterdamse studenten zo ambitieus zijn. Dat komt ook doordat ze vaak al eerder bezig waren met ondernemerschap en de stad ze meer bood. Wat je van Groningse studenten weleens hoort, is dat ze na drie jaar zeggen: ik heb het nu wel gezien, het is hier gewoon één grote kroeg. Ook leuk, maar dat houdt natuurlijk een keer op.’

‘Die tijd van zelfontplooiing op een universiteit, zowel intellectueel als sociaal, waarin je los komt van je beschermde omgeving, is zo waardevol’

Kende u elkaar tijdens de studie?
Frans: ‘O, zeker. Sterker, ik heb jou in het ontgroeningskamp gehad van het RSC. Ik ben natuurlijk wat eerder begonnen dan jij, in 1978. Ik eindigde in 84.
Michiel: ‘Ik begon in 82 en eindigde in 89.’ Frans: ‘Zo zo, heb je er zeven jaar over gedaan?’
Michiel, snel: ‘Zesenhalf.’
Frans: ‘Haha!’ 
Over hun mooiste herinnering aan die tijd zegt Frans: ‘Dat je wereld werd verbreed met zo veel leuke, slimme en aardige men­ sen, die je nu nog steeds kent. Die tijd van zelfontplooiing, zowel intellectueel als so­ciaal, waarin je los komt van je beschermde omgeving, is zo waardevol.’
Michiel: ‘Dat is ook de reden dat veel men­sen deze campagne steunen. Omdat je als je terugkijkt, veel aan je tijd op de Erasmus Universiteit te danken hebt.’

U bent beiden zeer succesvol geworden – in hoeverre is dat aan de Erasmus Universiteit te danken?
Michiel: ‘Zo’n universiteit, en ook zo’n stad, haalt wel iets in je naar boven. In Rotterdam moest je ervoor vechten om het te ontdek­ ken. De stad vroeg een zeker ondernemer­ schap van je.’
Frans: ‘Als je van Kralingen naar de Coolsingel liep, was er helemaal niks. Het was een heel vernieuwende stad: er werd veel gebouwd, er waren veel verschillende mensen, niemand kreeg het voor niks.’

De stad moest veroverd worden.
Michiel: ‘Ja precies, je moest er echt zelf iets van maken. Dat doet iets met je.’ 

Een mentaliteit die de mannen niet alleen een zeer succesvolle carrière opleverde, maar ook op het ‘on-Nederlandse, maar wel echt Rotterdamse idee’ bracht om het endowment fund fors te laten groeien.

Michiel: ‘Er wordt hier waanzinnig goed onderwijs gegeven, een aantal faculteiten scoort qua onderzoek wereldwijd zeer hoog, maar er is nóg meer van te maken. En met een overheid die links en rechts te­ rugtrekkende bewegingen maakt, willen we die laatste vijf tot tien procent via alumni tot stand brengen.’
Frans: ‘Om een topuniversiteit te zijn, moet je je onderscheiden. Dat is die tien procent: de allerbeste professoren ter wereld aan kunnen trekken, het onderzoek kunnen doen waarmee je wereldwijd in het vizier komt, hele slimme studenten een beurs kunnen geven. De icing on the cake waar­ mee je het verschil kunt maken. Daar heb je middelen voor nodig.’
Michiel: ‘En dat kan, want steeds meer alumni geven aan iets terug te willen doen, in welke vorm dan ook. Dus toen hebben we de koppen bij elkaar gestoken en met het bestuur een ambitieus plan neergelegd.’ Frans: ‘Het interessante is dat de Erasmus Universiteit in 1913 is opgezet door onder­ nemers; dat DNA is nog steeds voelbaar. We zijn misschien geen MIT of Harvard, maar waarom zouden we niet in de top van de werelduniversiteiten thuishoren? Waarom zou er niet weer een keer een Nobelprijswinnaar uit de Erasmus Universiteit komen? Dat is een van onze ambities: dat we dusdanig hoogwaardig onderzoek doen dat daar een Nobelprijs­ winnaar uit zou kunnen voortkomen. Dan moet je wel een omgeving scheppen waarin dat kan.’

Uw doel is om honderd miljoen op te halen – ambitieus.
Michiel: ‘Ja. Maar wel pas per 2025, hè.’
Frans: ‘Dat gaan we halen. Eerder ook.’
Michiel: ‘We hebben van tevoren goed na­ gedacht over wat we potentiële donoren kunnen aanbieden. Daarvoor hebben we de laatste anderhalf jaar met veel hoogleraren gesproken: wat gebeurt er, waar zijn jullie mee bezig? Uit die gesprekken bleek dat er veel waardevols op de universiteit plaats­ vindt. Alleen: een hoogleraar is bezig met onderzoek, niet met de hele wereld vertel­ len hoe fantastisch het is.’

‘Het mooie is dat een universiteit in staat is wereldproblemen aan te pakken, of onderzoek kan doen naar hoe dat zou kunnen’

En dat moet wel.
Michiel: ‘Ja: er is veel competitie, de wereld globaliseert, 20 procent van de studenten is internationaal. Dan móet je naar buiten tre­ den om te zeggen dat het hier gebeurt. En als je alumni aan wilt spreken ook, dan moet je kunnen zeggen: dit onderzoek doet ertoe, of: daar hebben we beurzen nodig.’
Frans: ‘Wat we daarbij belangrijk vinden is continuïteit. Je kunt niet besluiten om dit jaar mee te doen, maar volgend jaar niet, want dan komt het niet zo goed uit. Dat is de rol van het Erasmus Trustfonds, waar­ mee je een geldstroom hebt die is geba­ seerd op een kapitaalsbestand waarop je kunt rekenen.’
Michiel: ‘Het mooie is dat een universiteit in staat is wereldproblemen aan te pakken, of op z’n minst onderzoek kan doen naar hoe dat zou kunnen. Dan kom je tot de essentie, waardoor mensen enthousiast worden. Niemand wordt enthousiast van onderzoek naar of de terrassen voller zitten als de zon schijnt. Het gaat om het bestuderen van de grote, ingewikkelde thema’s. Rotterdam kan als living lab dienen doordat het de schaal en de complexiteit van een grote stad heeft: belangrijke industrie, immigratie, arme wij­ ken, rijke wijken, criminaliteit, milieuvervui­ ling; alles zit erin. Het leuke is ook dat de faculteiten veel meer energie krijgen van de multidisciplinaire samenwerking die hiervoor nodig is.’

Is dat de ontdekking?
Michiel: ‘Voor mij wel, ja. Dat je samen weer dat ondernemerschap terug kunt krijgen om grote problemen aan te pakken, vind ik heel mooi.’
Frans: ‘Wij hebben gezegd: “Wij gaan het geld bij elkaar brengen, maar jullie moeten het daarna waarmaken.” Daar is een convenant uit voortgekomen tussen alle decanen, het college van bestuur en het Erasmus Trust­ fonds, waarin dat streven naar de top is vastgelegd. En dat bleek als katalysator te werken. We hebben er samen de schouders onder gezet, als echte Rotterdammers.’

Is dit Trustfonds in Nederland het eerste dat zoiets doet?
Frans: ‘Eigenlijk wel. In Amerika, Engeland en België is het heel gewoon, geld geven aan je alma mater, maar hier kennen we die traditie niet. We zijn in zekere zin verwend, heel veel wordt hier goed geregeld door de overheid. Dat neem je voor lief. Met deze oproep willen we mensen eraan herinneren dat we veel te danken hebben aan die uni­ versiteit. Overigens is na de crisis die cultuur van ‘iets willen bijdragen’ enorm gegroeid. Steeds meer mensen leveren bijdragen aan concertgebouwen en musea, enzovoort. Nu nog aan onderwijs.’
Michiel: ‘Waarom het tot nu toe niet ge­ beurde, heeft er ook mee te maken dat we het ze nooit hebben gevraagd. Terwijl nu we dat wel doen, er meteen enthousiasme is. Er zijn al mensen die aanzienlijke schen­ kingen hebben gedaan, die colleges hebben gegeven, die cases hebben gemaakt en die bereid zijn studenten te begeleiden. Soms is iets is ook gewoon een kwestie van ontslui­ ten wat erin zit.’

Bent u ook al op een ‘nee’ gestuit?
Frans: ‘Eigenlijk niet. We moesten wel leren hoe je zoiets vraagt. Je kunt niet zomaar zeggen: doneer even een miljoen. Je moet het bespreekbaar maken? waarom dan? En waarom jij? En hoe gaat dat geld gebruikt worden?’

Is er onderling competitie? Dat u een appje stuurt met: ik heb weer een miljoen binnen gehaald, hoe ga jij?
Michiel: ‘Haha, dat niet. Maar toen we onze eerste grote schenking binnen hadden van Onno Ruding – wat een ongeloo ijke stap is, om dat als eerste te doen – zeiden we wel tegen elkaar: nu is de uitdaging eigenlijk groter geworden.’

Want toen moest u ineens.
Michiel: ‘Nou meer van: het kán dus. Er zijn dus Rotterdammers en alumni die bereid zijn aan zo’n initiatief bij te dragen. Veel mensen hebben ons van tevoren voor gek verklaard. Honderd miljoen ophalen, wat is dat voor een onzalig plan? Maar toen Ruding zei: ‘Dit is belangrijk, dit is een goed verhaal’, werd de verantwoordelijkheid des te groter om dat onzalige plan te laten slagen.’
Frans: ‘Veel alumni zullen hopelijk geïnspi­ reerd raken en besluiten: dit gaan wij ook doen, want wij zitten in de positie om dit te kunnen doen.’
Michiel: ‘Een belangrijk element van een endowment fund is dat je gift voor altijd is. Het basisbedrag blijft bestaan, en uit het rendement worden mooie projecten ge ­ nancierd. Dus ook de generaties hierna hebben er baat bij.’
Frans: ‘Bij een substantieel bedrag kun je zelfs een Fonds op Naam krijgen.’ Michiel: ‘Bepalen waar het geld aan wordt besteed, al naar gelang je interesses.’

Werkt dat geen corruptie in de hand?
Michiel: ‘Daar hebben we het ook met elkaar over gehad. Het kan natuurlijk niet zo zijn dat het gesteunde onderzoek dan bepaalde uitkomsten moet genereren.’ Frans: ‘Als stichting met een ANBI­status is het Erasmus Trustfonds gebonden aan zorgvuldige regels, er is een disbursement­ commissie die als wetenschappelijke groep toekijkt op projecten die worden aange­ vraagd en hoe het geld vervolgens wordt besteed. Dat doen we niet zelf.’ ‘Belangrijk aan een endowment fund is dat een gift voor altijd is. Ook generaties hierna hebben er baat bij’

Waarom zet u zich beiden zo in voor de universiteit? U hebt het toch druk genoeg?
Frans: ‘Mijn vrouw vraagt weleens: “Ga je nu wéér naar Rotterdam?” Ze heeft zelf geluk­ kig ook in Rotterdam gestudeerd, dus ze begrijpt het wel.’
Michiel: ‘Het is dat thema van Earn, Learn and Return hè, dat speelt voor mij een rol. Onderwijs is gewoon ongeloo ijk belang­ rijk. Voor de maatschappij als geheel, maar ook voor een land. Als wij daar een steentje aan kunnen bijdragen: let’s do it.’
Frans: ‘Onderwijs én onderzoek, dat is be­ langrijk. Zij moeten het antwoord formule­ ren op de vraag: hoe bouw je vital cities waarin niemand achterblijft? Door de crisis­ jaren is iedereen weer even bij de les – het inzicht dat het niet vanzelfsprekend is dat welvaart altijd stijgt. Hoe zorg je dat wel­ vaart in de toekomst gewaarborgd blijft? Dat is een prachtige vraag voor zowel een sociale als een economische faculteit om een antwoord op te formuleren.’
Michiel: ‘Inclusive prosperity gaat om de vraag of je het zodanig kunt organiseren dat welvaart eerlijker verdeeld wordt. Een maat­ schappij die helemaal uit het lood is, dat loopt nooit goed af.’

Is dat geen zaak voor de politiek?
Frans: ‘Jawel, maar de ideeën komen hier vandaan. Daarbij past ook het thema smarter choices for better health. Wetenschappers uit de gezondheidseconomie, gedragseco­ nomie, publieke zorg en internationale zorg gaan een intensieve samenwerking aan om zorgsystemen eerlijker en e ectiever in te richten – met de huidige nanciële middelen.’

Wat inspireert u?
Michiel: ‘Ik vind heel bijzonder hoe de Erasmus Universiteit van een groep onder­ nemers vanuit een privéschool uiteindelijk naar een rijksuniversiteit is gegroeid die heel hoog in het lijstje staat. Die honderd jaar historie heeft ons geïnspireerd de vraag te stellen: hoe zien de komende honderd jaar eruit?’
Frans: ‘Voor mij telt dat Nederland het heel goed heeft. Veel mensen nemen dat voor kennisgeving aan. Die denken: daar heb ik recht op. Ik heb de visie dat de samenleving van ons allemaal is. Dat als je je ergens zor­ gen over maakt, je ook zelf verantwoorde­ lijkheid moet nemen. In een tijd van popu­ lisme wijzen mensen al gauw ergens anders heen. Ik besef dat ik in een geprivilegieerde positie zit, en dus ook iets moet bijdragen aan de maatschappij. Dan zijn er genoeg goede doelen, maar ik heb iets met de Erasmus Universiteit, en ik denk dat het bij­ dragen aan onderwijs en onderzoek juist de maatschappij voor de volgende generaties helpt.’

Letterlijk, in uw geval, want uw dochter studeert hier nu ook.
‘Ja, die is nu net begonnen aan Geneeskunde.’

En?
‘Nou, ze is net een week bezig. Maar ze is enthousiast.’

En uw kinderen?
Michiel: ‘Ik heb hopeloos gefaald: ik heb een zoon die in Leiden zit en twee dochters in Utrecht.’

Tot slot: welke gedachte zou u de huidige lichting Erasmus­studenten mee willen geven?
Michiel: ‘Besef hoe bevoorrecht je bent dat je überhaupt in Nederland woont en dat je op zo’n universiteit mag studeren tegen zulke lage kosten. Dat is één. Ten tweede zou ik willen zeggen: zorg dat je het maxi­ male eruit haalt, zowel qua studie als sociaal. Ontwikkel je als mens. En drie: bedenk wat je in de toekomst terug wilt doen. Dat doe je natuurlijk niet meteen, maar realiseer je dat we hier nog heel lang met heel veel mensen kunnen leren en werken.’

Rentmeesterschap.
Michiel: ‘Ja. Honderd procent.’
Frans: ‘Daar sluit ik me volledig bij aan.’ 

TEKST: Eva Hoeke
FOTO: Jennifer Remme 

Frans van Houten en Michiel Muller