‘De patiënt staat centraal. Altijd’

Dagje mee

Feyenoord-clubarts. Wereldsterrendokter. Icoon van de strijd tegen alvleesklierkanker. Voor Casper van Eijck zijn al die rollen hooguit middelen voor het hogere doel: er zijn voor de patiënten. ‘Ik vind het geweldig om mensen niet alleen te behandelen, maar ook te begeleiden.

Afbeelding: 


NAAM: Casper van Eijck
LEEFTIJD: 60
STUDIE: VWO (Montessori Lyceum Rotterdam), Geneeskunde (1984, Erasmus Universiteit Rotterdam), Chirurgie (1991, toenmalige Leyenburg Ziekenhuis in Den Haag en het Academisch Ziekenhuis Dijkzigt inRotterdam).
CARRIERE: Casper van Eijck promoveerde in 1993 bij de Erasmus Universiteit Rotterdam op de rol van bepaalde receptoren bij borst- en alvleesklierkanker. Hij is zich daarna blijven specialiseren in de alvleesklier. In 2009 werd Van Eijck hoogleraar chirurgie, met de focus op aandoeningen van deze klier. Zijn afdeling geniet wereldwijde faam, wat leidde tot behandeling van onder meer Steve Jobs en Sonia Gandhi. Sinds 2010 is hij daarnaast clubarts van voetbalvereniging Feyenoord.

Gisteravond betrad Casper van Eijck bij miljoenen mensen wereldwijd de huiskamer. De clubarts zit namelijk, thuis én uit, op de bank bij voetbalclub Feyenoord, dat in de Champions League speelde tegen Manchester City (en met 0-4 onderuit ging). Vanochtend zit hij op zijn kamer alsof er niets aan de hand is. En dat is er ook niet, vindt Van Eijck. Voor hem is die functie vooral een boeiende en uitdagende vorm van ontspanning, die hij liefkozend ‘een uitspatting’ noemt. Nee, zijn echte liefde, die bevindt zich hier in het Erasmus MC. De patiënt, daar draait het om, benadrukt en bewijst de chirurg, gespecialiseerd in de alvleesklier, keer op keer. Of je hem nu spreekt op zijn kamer of observeert aan de rand van een ziekenhuisbed; alles komt altijd terug op de basis. 

Een dag meelopen met Van Eijck geeft geen goed beeld van zijn werk, benadrukt hij. ‘Er zit helemaal geen lijn in bij een chirurg! Ik kom elke dag voor onvoorziene zaken te staan.’ Weleens geprobeerd om er structuur in te brengen? ‘Dat is onmogelijk. Over vijf minuten kan ik gebeld worden over een bloedende patiënt. Dan laat ik alles vallen en zet me daarop in. Vooral orgaantransplantaties zijn heel erg onvoorzien. Die leggen een grote druk op ons.’


 

Enige nervositeit

Maar natuurlijk heeft zelfs Van Eijck zijn routines. Zo staat hij elke dag stipt om zes uur op, drinkt een kop koffie, oefent een kwartier op de piano (hij volgt les bij Erasmusica, de muziekschool van Erasmus MC), doucht en springt op zijn scooter of fiets richting de werkplek, op de achtste verdieping van Erasmus MC. Ontbijt slaat hij over. ‘Ik eet rond een uur of elf. Dat is misschien niet goed, maar dat heb ik altijd gedaan. En ik vind het ook een beetje triest als ik ‘s ochtends vroeg in m’n eentje mijn eigen boterhammen sta klaar te maken.’

Vandaag begint de dag om acht uur met de grote visite. Dat klinkt gezelliger dan wat het is. In dit overleg worden alle patiënten besproken door de twee chirurgen van de afdeling hepato-pancreato-biliaire chirurgie (lees: problemen met de alvleesklier, galwegen of lever), zaaldokters, verpleegkundig specialisten, onderzoekers, co-assistenten en verpleegkundigen. In een kort uur komt een wervelwind aan lichamelijke problemen voorbij. Het naderende overlijden van de een, een tip voor een ander type antibiotica voor de ander: het klinkt als een herkenbaar werkoverleg. Maar dan over leven en dood.
Bij het overleg zit Van Eijck in de hoek, breeduit, iets onderuit. Al snel wordt duidelijk wat zijn rol is: de controlerende vader. Bas Groot Koerkamp, zijn collega-chirurg, leidt het gesprek, is het aanspreekpunt en stelt acties voor. Van Eijck fungeert vooral als denktank. Hij beaamt hummend goede keuzes, stelt vragen om zaken beter te begrijpen ‘En zat daar nog veel amylase in?’ en komt met oplossingen voor problemen. Als hij praat, zegt hij geen woord te veel. ‘Hoe waren de bloedsuikers?’ De zaaldokter geeft met enige nervositeit zijn samenvatting. ‘Mooi.’ En dat was het. Komt het erop aan, dan trekt Van Eijck de conclusie over wat er gaat gebeuren. Hij valt niet op, maar is wel de baas. 

Rotterdammer van het jaar

Van Eijck, geboren in Coolhaven (trots: ‘Ik ben de enige chirurg in Nederland die uitkijkt op zijn wieg’), komt uit een normaal gezin. Zijn vader was hoofd van de passage­afdeling bij de Holland-Amerika Lijn, zijn moeder apothekersassistente. Toch wist hij – als oudste van drie zoons – al op vijftien­jarige leeftijd dat zijn toekomst in de chirurgie lag. De jonge Van Eijck had een klasgenote wier vader chirurg was. Zo hoorde hij de verhalen over deze voor hem magische wereld. Na de studie geneeskunde in Rotterdam vertrok hij even naar Leiden en Den Haag voor de opleiding tot chirurg. Daarna kwam hij terug naar zijn stad, om nooit meer te vertrekken. Tegenwoordig woont Van Eijck, samen met zijn vrouw en twee Schnauzers, in Hillegersberg. Rotterdamser dan Van Eijck krijg je ze dus niet, iets dat de stad ook doorheeft. Glunderend vertelt hij namelijk dat hij net te horen heeft gekregen dat hij is uitgeroepen tot Rotterdammer van het jaar. ‘Ik krijg van de burgemeester een penning uitgereikt in de Laurenskerk. Dat vind ik geweldig.’


 

Vaderlijk moment

Iets over negenen gaan de medici in kleinere formatie – twee chirurgen, verpleegkundig specialist, onderzoeker en zaalarts – langs alle bedden waar de patiënten van Van Eijck en zijn collega liggen. Groot Koerkamp geeft vooral uitleg aan de patiënten en assistenten, terwijl Van Eijck de man van de empathie is. Hij zwaait naar patiënten, legt een hand op hun schouders, benadrukt dat zij het goed doen, vertelt wat nodig is om beter te worden, en kijkt – terwijl zijn collega praat – vol compassie. 
Weet je niet beter, dan is Van Eijck de partner van, en niet de arts. Tot hij gaat praten, bijvoorbeeld om te benadrukken dat zij het ook heel naar vinden dat de uitslag slecht is, of dat het goede nieuws is dat het altijd goed komt. Aan een jong meisje, dat vandaag naar huis mag na een geslaagde operatie, vraagt hij of ze naar haar eigen huis gaat, of naar haar ouders. Ze kiest voor het tweede. Van Eijck knikt instemmend. En vaderlijk. 

Tijdens de ronde blijft Van Eijck actief als opleider van de jongere garde. ‘Ja, deze man gaat vandaag naar huis, maar dat betekent toch niet dat we geen afscheid van hem nemen?’ Hij legt uit dat constant opleiden een noodzakelijke attitude is. ‘Zij moeten er wat van leren. Je kunt wel heel de dag op jonge dokters schelden, maar als je ze niets bijbrengt, dan wordt het nooit wat.’ Groot Koerkamp brengt dat direct in de praktijk bij de zaalarts. ‘Is het geen kanker, dan kun je het direct tegen de patiënt vertellen. Is er wel kanker, roep dan eerst altijd de familie erbij.’


 

Brombeer

Het wordt al snel duidelijk: bij Van Eijck draait echt alles om de patiënten. Want, zo legt hij uit: ‘Die zijn er altijd, of het nou vakantieperiode is of niet.’ Vanwege die extreme focus omschrijven sommige collega’s Van Eijck wel als ‘moeilijk’ of ‘als een brombeer’. Want verzaakt iemand zijn verantwoordelijkheid, dan kan hij heel kritisch zijn. ‘Als jij 24 uur lang vergeet om iemand antibiotica te geven, dan kan ik daar heel moeilijk over doen. Allereerst omdat ik het vervelend vind voor de patiënt, maar ook omdat ik wil dat het de volgende keer niet meer gebeurt. De situatie zit me dan echt dwars.’

Mensen die veel met Van Eijck samenwerken, weten die focus op de patiënt juist op waarde te schatten. Van Eijck windt zich er zich­baar over op dat hij daarin ‘redelijk uniek’ is. Hij vertelt dat een man, wiens vrouw in een ander ziekenhuis lag, hem belde om te over­leggen. ‘Dat vind ik doodnormaal. Een half uur later belt die man terug en vraagt het rekeningnummer van stichting Support Casper. Hij kon nooit eerder met een professor praten over zijn vrouw, die niet eens diens patiënt is.’
Daarnaast speelt onderzoek een belangrijke rol in zijn werk. Saillant detail: het overleg tus­sen Van Eijck en zijn onderzoekers vindt altijd plaats op vrijdagochtend 8 uur, stipt. Is dat niet wat vroeg? ‘In het verleden gingen ze nog weleens iets te lang stappen op donderdag. Allemaal leuk en aardig, maar om 8 uur moet je je gewoon bij mij melden. En dat gaat supergoed.’ Hij hamert erop dat medici een voorbeeldfunctie hebben. ‘Sommige mensen kijken ontzettend tegen ons op. Dat is prima, maar het betekent wel dat we het waar moeten maken. Ik wil niet zeg­gen dat een chirurg nooit dronken mag worden, maar het gaat om de manier waarop.’

‘Luisteren is het belangrijkste in ons vak, samen met eerlijk antwoord geven op vragen’

Betrokkenheid werkt

Ook in zijn methode van onderwijs geven zie je die patiëntgerichte benadering terug. ‘Ik vind het geweldig om mensen niet alleen te behandelen, maar ook te begeleiden.’ Volgens hem kan dat bij uitstek door goed te luisteren. ‘Ik maak arts-onderzoekers en assistenten altijd duidelijk: luisteren is het belangrijkste in ons vak, samen met eerlijk antwoord geven op vragen, zonder een kakofonie aan medische termen. Hou je aan die twee vast, dan kom je zo ontzettend ver!’ Of, zoals hij het in een oneliner verwoordt: ‘de kunst van het spreken is om altijd te zwijgen en soms wat te zeggen'. 

Maar het is meer dan luisteren alleen. Van Eijck liet studenten geen rijtjes of theorieën leren, maar nam altijd patiënten mee. ‘Dat leren kunnen ze zelf wel. Maar ze kunnen niet altijd bedenken waarom dat nodig is.’ Ook hamert hij er altijd op dat samenwerking essentieel is. Niet bellen voor de uitslag van een CT-scan, maar samen met de radioloog de foto’s bekijken. Ook bij pathologen en onderzoekers is hij kind aan huis. ‘Zo betrek je hen bij de patiënten, waardoor iedereen beter gaat werken. Honderd procent zeker.’ En daarmee is de cirkel van zijn patiënt­gerichte aanpak rond.

Zelf mail beantwoorden

Overleg met onderzoekers, intakegesprekken met nieuwe patiënten, een teleconferentie met experts uit omringende ziekenhuizen, uitslagen van geopereerde patiënten door­nemen, opereren: de agenda van Van Eijck is een klein pandemonium. Rots in de branding daarbij is Monica Seijbel, zijn secre­taresse. Zo goed en zo kwaad als dat kan, want Van Eijck en zijn agenda zijn niet altijd even grote vrienden. ‘Dan staan hier opeens mensen voor mijn neus die een afspraak met hem hadden, wat Van Eijck dan alweer vergeten is,’ vertelt Seijbel lachend. 

Gelukkig zijn er twee constanten in het leven van de chirurg. Ten eerste de nimmer opdrogende stroom e-mails die hij ontvangt – en beantwoordt. Van Eijck krijgt wekelijks honderden berichten uit het hele land, vaak als last resort voor mensen met alvleesklierkanker. Daar gaan uren en uren inzitten, want Van Eijck reageert altijd persoonlijk ‘Ik vind dat dat er bijhoort’. Ten tweede de dagelijkse gang langs de bedden om met zijn patiënten te praten. ‘Het liefst ‘s ochtends, dan is er nog niets gebeurd en kan ik kijken hoe het met ze gaat.’

Vooruitstrevende ideeën

En dan is er dus sinds 2015 een nieuw project: Support Casper. Deze campagne vormt een onderdeel van de Stichting Overleven met Alvleesklierkanker, opgericht door ­nabestaanden. Met Support Casper willen zij geld ophalen waarmee Van Eijck en zijn collega’s onderzoek kunnen doen naar nieuwe behandelmethoden van alvleesklierkanker. De chirurg wordt daarom regelmatig uitgenodigd om te komen vertellen over wat ‘zijn’ club doet. Daarbij bezoekt hij ook begrafenissen, waar geld voor de goede zaak wordt opgehaald: geen bloemen maar donaties. Van Eijck gaat er prat op dat er bij het onderzoek van Support Casper geen dubbeltje onnodig wordt uitgegeven. 

Hoewel er nog altijd meer geld nodig is, is Van Eijck erg hoopvol over de vooruitgang. Bovendien is hij zeer content met het breed gedragen vertrouwen dat uit de campagne spreekt voor zijn vooruitstrevende ideeën over de strijd tegen alvleesklierkanker. ‘Zoals dat je kanker ook kunt doden met andere behandelingen dan chemotherapie, bijvoorbeeld met genetisch gemanipuleerde virussen. Support Casper geeft ons de kans zoiets mogelijk te maken.’

Achteruitkijkspiegel

Maar ondanks al die mijlpalen spreekt Van Eijck nog niet over een geslaagde carrière. ‘Mensen met alvleesklierkanker gaan nu nog vaak binnen drie tot zes maanden dood.Ik heb de verantwoordelijkheid op me genomen ervoor te zorgen dat over vijf jaar die prognose er beter uitziet.’
Natuurlijk, be­nadrukt hij meteen, denkt Van Eijck niet dat hij of zijn team het kankerprobleem zomaar gaan oplossen. Maar, zegt hij stellig, er moet structureel iets veranderen. 

Werk aan de winkel dus. Niettemin kijkt Van Eijck tegelijkertijd mild positief terug op zijn bijdrage aan het leven tot dusver. Hij hanteert namelijk als filosofie dat het je plicht is om iets goeds te doen voor een ander. ‘In mijn geval betekent dit dat die ander zich gezonder voelt. Zet je jezelf daar honderd procent voor in, dan kun je met een gerust hart af en toe achterom kijken naar je leven. Dat vind ik extreem belangrijk.’ 

Hij roept iedereen daarom op om af en toe een blik te werpen in de achteruitkijkspiegel. Heb je iets goeds gedaan voor de ander, of moet je nog wat zaken aanpassen? ‘Als we dat allemaal ook maar een heel klein beetje doen, dan komen we echt een heel stuk verder met deze wereld.’

TEKST: Inge Janse
BEELD: Jochem Sanders

Alumnus Casper van Eijck