Huib Pols neemt afscheid

Het laatste woord

Huibert Pols (Dordrecht, 1952) neemt deze zomer dan toch echt afscheid als Rector Magnificus, een functie die hij bijna vijf jaar vervulde. ‘De gedrevenheid van de studenten, die kritische attitude die zorgt dat je geen moment op routine draait, zal ik missen.’

Je verwacht het niet, kippen op de kamer van een Rector Magnificus. Maar ze zijn er, in lijstjes, in beeldjes, en vooral in de analogie van de afzwaaiende universiteitsbaas. Pols: ‘Tegenwoordig word je verondersteld ongeveer zestig procent aan onderwijs en veertig procent aan onderzoek te doen, maar wetenschappers verdienen scharrelruimte. Ik heb altijd geweldig genoten van het feit dat mijn baas niet voortdurend in mijn nek zat te hijgen. Men moet vrij zijn om gedachten te ontwikkelen.’

Afbeelding: 

NAAM: Huibert Adriaan Pieter Pols 
LEEFTIJD: 65
STUDIE: Geneeskunde
CARRIERE: Arts in AZR Dijkzicht, hoogleraar Inwendige Geneeskunde aan de EUR, Afdelingshoofd Interne Geneeskunde, decaan FGG, vicevoorzitter van de Raad van Bestuur van Erasmus MC en vanaf 2013 rector magnificus. 

U bent in 1971 Geneeskunde gaan ­studeren, in 1977 studeerde u hier af. Waarom koos u destijds voor de EUR?
‘Ik wilde eigenlijk in Utrecht studeren, destijds dé studentenstad, maar ik werd uitgeloot. Inmiddels heeft Rotterdam heel veel van die allure opgepakt, maar toen was het een stad in opbouw. Pas later zag ik de pioniers­geest die daarmee gepaard ging, en die can-do mentaliteit hebben ze altijd behouden.’ 

Wat voor student was u? 
‘Vrolijk, wel. En een typische ‘nominaal = normaal’-student: ik heb het allemaal ­precies in de tijd gedaan die ervoor stond. De passie kwam pas in de tweede fase van mijn studie. Toen ging het namelijk echt over patiënten. Het was niet langer overdracht van kennis, maar toepassen van kennis. Dat beklijfde veel makkelijker.’

Wat zijn de grootste verschillen tussen toen en nu? 
‘Alleen al de manier van leren is heel anders: ik leerde nog klassiek uit een boek, nu gebeurt dat vanaf een beeldscherm. Als mij destijds een vraag werd gesteld, kregen we een dag of twee om dat in de bibliotheek op te ­zoeken. Nu krijg ik vijftien seconden later antwoord via de smartphone.’ 

Wat levert dat op? 
‘Vluchtigheid; kennis beklijft minder. Want je hebt het antwoord wel, maar het achterliggend mechanisme niet. Als je iets moet opzoeken, lees je ook alles wat daar omheen ligt. Aan de andere kant: de vaardigheid waarmee de student van vandaag met die mogelijkheden omgaat en dus veel sneller de schakelingen en daarmee de verbindingen tussen verschillende velden kan leggen, vind ik een geweldige asset. Verder is de mondig­heid van studenten enorm ­toegenomen. Wij bezetten in die tijd van alles, maar als het bier op was, gingen we weer naar huis.’

En er wordt dus minder gescharreld. 
‘Men is veel meer geroosterd in zijn dagelijkse doen en laten. Daarin vormen wij natuurlijk het spiegelbeeld van de maatschappij. 
Die rat race en verantwoordingshoepels zie je in allerlei vakgebieden, maar de impact daarvan is nog groter op de academie. Ik mis vertrouwen vanuit de overheid. Als je dan ook nog ziet – en nu spreekt de bestuurder even – dat wat wij aan middelen binnen krijgen per student sinds 2000 met zo’n 25 procent is afgenomen, dan wringt dat. We hebben in Rotterdam twintig procent meer studenten gekregen. Kunnen we die steeds grotere aantallen wel aan? We moeten ervoor waken mensen niet uit te putten. Waar het uiteindelijk om gaat is de vraag: hoe creëer je talent? Dat doe je door ­studenten de middelen te geven dat talent te ontdekken en om met dat talent te ­experimenteren. Daar hoort ook vrij denken bij. Talent is dan ook het thema van de rectoraatsoverdracht.’

In 2013 werd u aangesteld als rector magnificus. Wat waren destijds uw doelen? 
‘Ik wilde meer verbinding realiseren tussen de faculteiten, bruggen slaan in dat eilanden­rijk. Gegeven het gespecialiseerde karakter van onze universiteit – wij zijn geen brede comprehensive universiteit zoals bijvoorbeeld de Universiteit van Amsterdam – hebben wij een taak naar de maatschappij en de grote uitdagingen die daar spelen. De veronderstelling dat je die vanuit je monodiscipline kunt op lossen, is een gotspe. In mijn tijd was het evident: je deed een studie, ging specialiseren, kreeg een baan en je expert opinion was daarna een heilig domein. Maar die tijd is voorbij. Mensen zullen meerdere carrières gaan maken; daar zullen wij ze in moeten begeleiden.’

Beschouwt u die missie nu, vier jaar later, als gelukt?
‘Nou ja, gelukt: er is nog veel werk onderhanden, haha. Maar de Erasmus Initiatives, de Community voor Learning & Innovation, Challenge Accepted en het daarbij behorende Endowment Fund en de bereidheid van decanen om onderling hun best practices met elkaar te delen, zijn dingen waar ik blij mee ben, als verbindingsofficier.’ 

Waar liep u in dat proces tegenaan? 
‘De autonomie van de faculteiten is groot, zullen we maar zeggen. Dat is overigens niet typisch Rotterdams, hoor. Ik heb niets met macht, maar als dokter ben ik gewend snel beslissingen te nemen. Ik heb echt moeten leren dat de oriëntatie en de ­belangen bij bètastudies en ­geestes- en gedragswetenschappen ­verschillend zijn.’

Heeft u op tenen gestaan?
‘Ja. Jawel. Maar ik heb zeker ook verbanden aangereikt.’

U hecht aan het belang van meer ­vrouwelijke hoogleraren, maar van de veertien universiteiten in Nederland heeft de EUR het laagste aantal: dertien procent. Wat gaat er fout? 
‘Er zijn twee dingen die spelen. Toen ik hier binnenkwam, was er een diversiteitcommissie die alle dingen benoemde die mis waren, maar daar verder niks mee deed, waardoor er alleen maar een verzuurdere stemming ontstond. Ik heb toen een officer aangesteld die op dat onderdeel daadwerkelijk beleid ontwikkelde, Hanneke Takkenberg. Met haar heb ik toen een ronde langs de faculteiten gemaakt. Ik ga niet zeggen waar, maar wat je dan af en toe hóórt… Daar kreeg ik het schaamrood van op de kaken. Uitspraken als: ‘Je kunt zo’n vrouw toch niet voor zo’n grote college­zaal zetten.’ Daarna hebben we ook meteen een diversiteitsofficier neergezet op de faculteiten. En de tweede hindernis is dat men hier een traditie heeft dat mensen beginnen als bijzondere hoogleraren, als opstap naar het gewoon hoogleraarschap. Dat verschilt nogal van andere universiteiten, en dat mogen we weleens goed tegen het licht houden. Dat gebeurt ook, maar het gaat niet over één nacht ijs. We hebben gelukkig meters kunnen maken.’

Geneert u zich ervoor?
‘Ja, ook omdat ik het bij Erasmus MC wél voor elkaar heb gekregen. Gemengde teams presteren gewoon beter. Je bent een dief van je eigen wetenschappelijke portemonnee als je die insteek niet kiest.’

Is de EUR uiteindelijk toch gewoon een Old Boys Network? 
‘Ik denk dat je meer kunt zeggen dat men afscheid aan het nemen is van die traditie. Maar we komen van ver, dat is waar.’

Waagt u zich eens aan voorspelling?
‘Ik denk dat bij de Geneeskunde in 2025 dertig tot veertig procent van de hoog­leraren vrouw is. Bij onder andere Erasmus School of Economics en Rotterdam School of Management hebben we nog een ­grotere revolutie voor de boeg.’

Dat is dan een taak voor uw opvolger, Rutger Engels. 
‘Onder andere. Het op orde krijgen van de bedrijfsvoering is van eminent belang. De Erasmus Initiatives moeten verder worden ontwikkeld, en binnen de opleidingen is het mogelijk om wat meer dwarsverbanden te realiseren. Maar ook dit vergt onderhoud, zeker. De gesprekken die we daar tot nu toe over hebben gevoerd, voelen goed.’ 

‘Hoe creëer je talent? Door studenten de middelen te geven hun talent te ontdekken’

Wat gaat u missen aan de Erasmus Universiteit?
‘De dynamiek. Ik ben een early bird, voor zeven uur zat ik meestal al op kantoor, dus ik zal wel moeten wennen aan het feit dat dat nu allemaal gaat veranderen. De studenten zal ik vooral missen. ’s Ochtends had ik inloop­uur, dan voerde je soms heel ­vertrouwelijke gesprekken. En wat studenten mij ook boden, was een inzicht in hoe bepaalde dingen in faculteiten liggen. Waarom ik altijd in die universiteit ben blijven hangen, is toch die gedrevenheid van de studenten die die extra mijl gingen; degenen die tegen alles in toch op die mening bleven zitten. Ze stelden me soms vragen waarvan ik dacht: ik heb géén idee. Die gedrevenheid, die kritische attitude die zorgt dat je geen moment op routine draait, zal ik missen.’

Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat uw echtgenote Lientje de stille kracht is achter meneer Pols. 
‘Dat is zonder meer waar. Lientje is mijn sociale geweten. Zij zegt ’s ochtends: ‘Je secretaresse is jarig, er zit een cadeautje in je tas.’ Ze komt hier ook langs, is geïnteresseerd, zij kent de mensen. Ik denk dat ze ook weleens hebben gedacht: wie heeft hier nou de beslissing genomen, hij of zij? Haha.’

Heeft zij zelf carrière kunnen maken?
‘Lientje heeft wel degelijk carrière kunnen maken, ze was docent, maar denk dat ze veel opgeofferd heeft voor ons gezamenlijk geluk. Zegt de man die verantwoordelijk is voor diversiteit. Ze is drie jaar ouder dan ik, dat is ook waarom ik nu wilde stoppen. We willen nog wat leuke dingen kunnen doen in goede gezondheid.’

U gaat straks ook met emeritaat. Wat gaat u doen met al die vrije tijd? 
‘Nou, ik doe al wat dingen: ik ben Captain of Science van Topsector Life Sciences & Health, ik zit in de Raad van Toezicht van de Doelen, ik ben net vicevoorzitter ­geworden van de Raad van Toezicht van het St. Antonius Ziekenhuis…’

Heeft u geen hobby’s?
‘Jawel, jawel, ik wil oude meubels kunnen restaureren. Samen met mijn zoons onderhoud ik een oude Citroën Deux Chevaux en misschien ga ik nog een oldtimer opknappen. En ik wil ook spontaan met Lientje naar een tentoonstelling in Groningen kunnen gaan.’

Tot slot: welke woorden zou u de nieuwe lichting studenten mee willen geven? 
‘Ga voor je passie, sluit geen compromis over wat je écht wilt en mobiliseer iedereen die je kunt mobiliseren om in jouw passie te geloven. Zo heb ik het ook gedaan. Solo was ik niet zo’n held, pas in verbinding met anderen kon ik groeien.’ 


TEKST: Eva Hoeke
FOTO’S: Michelle Muus

Huib Pols