Op zoek naar leefbaar loon in de kledingindustrie

Wetenschap in de praktijk
Afbeelding: 

Hoe zorg je als investeerder dat je alleen nog geld steekt in bedrijven die een eerlijk salaris betalen? 


Marjelle Vermeulen en Karen Maas van het Impact Centre Erasmus zochten het uit op verzoek van de ASN Bank.
 

Wat hebben jullie aan?

Marjelle Vermeulen: ‘De broek is van de H&M, de trui komt van een onbekend winkeltje in Duitsland.’
Karen Maas: ‘Ik heb een jurk aan van Humanoid, een vest van Sonia Rykiel, de sjaal is van een Italiaans merk, de panty van de Hema en mijn schoenen heb ik gekocht in de VS.’ 

De hamvraag is natuurlijk: is het duurzaam? 

KM: ‘De bijzondere kledingstukken van de grote merken wel. Omdat het geen confectiemerken zijn die op grote schaal produceren. Zo’n vest van Sonia Rykiel is niet in Bangladesh of India gemaakt, maar in Italië. Daar zijn de werkomstandigheden per definitie beter.’

Dat is waar jullie onderzoek naar doen. De ASN Bank wil weten of ze wel zo duurzaam bezig zijn als ze zouden willen. Hoe zoek je dat uit?

KM: ‘De ASN richt zich als bank überhaupt nadrukkelijk op duurzaamheid. In 2030 willen ze een aantal doelen behaald hebben. Met betrekking tot CO2-uitstoot bijvoorbeeld. Dat is relatief makkelijk te meten. Maar ook op het gebied van human rights, een van hun andere speerpunten, willen ze bedrijven uit hun portfolio kunnen aanspreken. Alleen, dat is een stuk lastiger te kwantificeren. Een van de meest tastbare thema’s op het gebied van mensenrechten is leefbaar loon. We hebben een methodiek ontwikkeld om bedrijven te screenen.’
MV: ‘We zijn begonnen met een nulmeting. Er is specifiek gekeken naar de kleding­industrie, waarbij de arbeidsomstandigheden de laatste jaren terecht onder een vergrootglas liggen. Van veertien bedrijven uit het beleggingsuniversum van ASN hebben we in kaart gebracht hoe het zit met hun beleid.’

Een leefbaar loon in Pakistan is totaal anders dan in Italië. Hoe stel je dat vast?

KM: ‘Dat was direct een van de grote moeilijkheden in ons onderzoek. Er zijn talloze databases waaruit je informatie kunt halen over wat mensen verdienen. Maar die zijn vaak incompleet, of lastig met elkaar te vergelijken.’
MV: ‘We zijn uitgegaan van de definitie dat een leefbaar loon een salaris is dat iemand moet verdienen om zichzelf en zijn gezin te kunnen onderhouden. Dat betekent: genoeg geld voor een huis, eten, kleding, school en een deel om te sparen.’
KM: ‘Maar dan kom je op de vraag wat een normaal gezin is. In het ene land zijn dat twee kinderen, in de het andere land tien. En in het ene land is het normaal om 10 procent van je inkomen aan je huis te besteden, in het andere land 80 procent. Wat het bovendien lastig maakt, is dat de verschillen binnen sommige landen ook nog enorm zijn. In China bijvoorbeeld maakt het veel uit of je in Shanghai woont of op het eiland Hainan.’ 

In jullie onderzoek komt de H&M als beste uit de bus. Dat is verrassend. Betekent dit dat een leefbaar loon niet direct hoeft te leiden tot een hogere prijs?

MV: ‘Deze score is niet alleen het salaris wat ze betalen. Het gaat ook om visie, beleid, implementatie en transparantie.’
KM: ‘We hebben het er in de aanloop naar het onderzoek veel over gehad dat het leuk zou zijn als een goedkoop bedrijf kan laten zien: wij betalen leefbaar loon. Ook al hanteer je lage prijzen, kun je toch mensen ok betalen. Zij hebben een actief beleid en geven veel openheid van zaken.’

Maar betalen ze ook een salaris waar een naaister haar familie van kan onderhouden?

MV: ‘Door geen van de onderzochte bedrijven wordt een leefbaar loon betaald, ook niet door H&M. Exacte data zijn nog moeilijk boven tafel te krijgen. H&M geeft aan dat ze het industry average betalen. Dat is vaak meer dan het minimumloon, maar nog niet genoeg. Er is dus nog een lange weg te gaan.’
KM: ‘Wat je hoopt is dat door zo’n screening duidelijk wordt dat bedrijven echt iets moeten gaan doen. Dit is het begin. En alles wat wij doen is open source. Dat maakt het heel leuk: andere partijen kunnen hier mee verder.’
MV: ‘Je ziet dat ASN echt als een aanjager 
fungeert. Er is veel media-aandacht geweest en ook andere financiële organisaties zijn nu geïnteresseerd. We hebben net gehoord dat Triodos en vermogensbeheerder MN Services samen met ASN deze bedrijven 
wil gaan aanspreken.’

In de supermarkt kun je al jaren kiezen uit talloze keurmerken. Waarom is dat er niet voor duurzame kleding?

MV: ‘Je hebt wel websites die inzicht ­proberen te geven in de duurzaamheid 
van merken, rankabrand.nl bijvoorbeeld.’
KM: ‘Er is informatie beschikbaar, maar vaak gaat het dan bijvoorbeeld over organic cotton, niet over arbeidsomstandigheden. En dan nog kom je al snel terecht bij kleine labels of exclusieve winkels. Eerlijk gezegd vind ik het voor de consument nog veel te moeilijk. Het is niet zo dat je naar de Bijenkorf kunt gaan en daar je keuze kunt baseren op – naast kwaliteit en prijs – duurzaamheid.
MV: ‘Het zou mooi zijn als dat uiteindelijk het gevolg zou zijn van dit onderzoek.’

Zijn er bedrijven waar je als consument sowieso geen kleding moet kopen?

KM: ‘Een bedrijf dat per seizoen vijf goedkope collecties presenteert en waar je shirt na drie keer wassen kapot gaat, is in de regel niet duurzaam. De Primark en de Coolcat bijvoor­beeld, daar gaat het niet zo best. Maar die vallen buiten het portfolio van de ASN.’
MV: ‘De Zeeman stond heel slecht bekend, maar die maken nu allemaal reclame waarin ze zeggen goed bezig te zijn.’
KM: ‘Het jaarverslag van de Primark staat ook vol met rooskleurige taal. Er is alleen niemand die dat checkt. Maar dat is aan het veranderen. In Nederland wordt een groot deel van de duurzaamheidsverslagen al getoetst. Voor accountants is dat big business, alleen vinden ze het heel moeilijk.’
MV: ‘Het past in de trend van wat wij impact investing noemen. Er komt steeds meer bewijs dat er zoiets bestaat als een win-win-situatie: financiële winst én maatschappelijk rendement. Dit onderzoek werpt vooral nieuwe vragen op, er moet nog veel meer uitgezocht worden. Maar het is een mooi voorbeeld van hoe een financiële instelling kan samenwerken met een kennisinstituut om een mondiaal probleem aan te pakken.’

Zijn jullie optimistisch over de toekomst van de kledingindustrie?

KM: (slaakt een diepe zucht): ‘Eigenlijk niet. Dit soort veranderingen helpen, maar ik heb minder vertrouwen in het gedrag van de consument. Zolang die behoefte blijft houden aan ketens als de Primark en de Action, blijven we geconfronteerd worden met de minder fraaie kanten van de globalisering en het consumentisme.’
MV: ‘Bedrijven zijn vaak intrinsiek gemotiveerd om duurzamer te werk te gaan. En als ze dan ook nog eens onder druk worden gezet van stakeholders – investeerders in het bijzonder – is verandering echt mogelijk. Maar uiteindelijk is de consument aan zet.’

Karen Maas en Marjelle Vermeulen zijn verbonden aan het Impact Centre Erasmus (ICE). In samenwerking met ASN Bank onderzochten ze hoe investeerders de sociale impact van hun beleggingsportfolio in kaart kunnen brengen en kunnen beïnvloeden.

TEKST Geert Maarse
FOTO Geertje van Achterberg

Naam: Niek van den Hengel
Studie: Strategisch Management/Finance & Investment, RSM
Carrière: medeoprichter en medeeigenaar Granny’s Finest (samen met Jip Pulles)

 

Helena Keij, 76 jaar, breit sinds eind 2015 sjaals voor Granny’s Finest. 

‘Ik was aan het winkelen bij De Bijenkorf en zag daar een man en vrouw breien in de etalage. Ik vond dat zo leuk dat ik ter plekke besloot om me aan te melden. Nu kom ik hier wekelijks. Het is altijd gezellig, met zijn allen aan de lange tafel. En er is altijd wel iemand die iets lekkers meeneemt. Breien en kletsen gaat goed samen. Voordat je het weet is het alweer 5 uur’.

‘Ons bedrijf staat voor sociale cohesie’

 

Na mijn afstuderen zou ik eigenlijk het familiebedrijf in vastgoedonderhoud overnemen, maar de crisis stond die plannen in de weg. Het begon met een bezoek aan mijn opa in een bejaardenhuis. Ik zag er dames in de eetzaal zitten, die prachtige truien breiden, maar voor niemand in het bijzonder. Tegelijkertijd zag ik de eenzaamheid onder ouderen. En toen mijn vriend en medeoprichter van het bedrijf, vroeg of ik nog een onderwerp voor zijn afstudeerscriptie wist, was het idee voor Granny’s Finest geboren: een jong en hip modemerk gebaseerd op twee pijlers: een eeuwenoud ambacht, het breien, en het verminderen van de eenzaamheid onder ouderen.

Het mes snijdt aan twee kanten

Alle producten worden gemaakt door de vrijwilligers van onze 39 breiclubs. Iedere vrijdag komen ze samen en onder het genot van koffie en koekjes worden er prachtige producten gemaakt: sjaals, mutsen en sokken. Maar ook kussens en dekens. Via buurthuizen en lokale zorg­organisaties worden bejaarde dames en heren attent gemaakt op Granny’s Finest. 
Al kun je al vanaf je 55e levensjaar meedoen. Het is eigenlijk niet eens belangrijk of je goed kunt breien. Als je maar zin hebt om het te leren. Al vanaf dag 1 draai je mee in het maken van mooie producten die inmiddels in 60 winkels worden verkocht. Behalve in Nederland ook in België en Duitsland. 

Naast de wekelijkse breimiddagen organiseren we regelmatig leuke uitstapjes voor de deelnemers. En met Kerst nodigen we alle deelnemers uit een groot diner. Het breien van onze producten is vrijwilligerswerk. We kunnen geen financiële vergoeding bieden. Maar uit onderzoek is gebleken dat geld geen drijfveer is voor oudere mensen. Het gaat hen om de gezelligheid. Om onder de mensen te zijn. Op de breiclubs worden nieuwe vriendschappen gesloten. Door toenemende bezuinigingen in de zorg- en welzijnssector zijn er weinig clubs waar ouderen gratis aan kunnen deelnemen. In die behoefte voorziet Granny’s Finest. Het mes snijdt dus aan twee kanten. 

Ons bedrijf staat voor sociale cohesie. We zijn nog niet winstgevend, en afhankelijk van de Gemeente Rotterdam, investeerders en fondsen. Maar behalve om het bedrijf op termijn financieel onafhankelijk te maken is het mijn droom en intentie om zoveel mogelijk bejaarde mensen uit hun isolement te halen. En om ze weer perspectief en gezelligheid te bieden.

TEKST Carien van der Wal
FOTO Sanne van der Most

 

Naam: Ruud Jacobs
Leeftijd: 29 jaar
Studie: Psychologie (2012, cum laude), Universiteit Twente PhD student Media & Communicatie, EUR

Meer over de impact van dit soort games? Kijk het college van Ruud Jacobs hier

Het succes van ’persuasive games’

‘Ervaren hoe het is om eentonig werk te doen’

 

Natuurlijk, het is bekend dat het in de kleding- en katoenindustrie wemelt van de missstanden. Maar hoe zorg je dat consumenten in actie komen om daar iets aan te doen? Dat is de vraag waar onderzoeker Ruud Jacobs zich mee bezighoudt.

 

Voor zijn promotieonderzoek aan de Erasmus School of History, Culture and Communication kijkt hij naar de effecten van persuasive games, zoals My Cotton Picking Life. ‘Je wordt in de schoenen gezet van een katoenplukker in Oezbekistan. Je moet de hele tijd dezelfde handeling verrichten, waardoor je ervaart hoe het is om extreem geestdodend en saai werk te doen.’

Creëren van bewustzijn

Jacobs heeft een achtergrond in de psychologie, dus test het effect van zo’n game, ten opzichte van bijvoorbeeld een promofilmpje of een advertentie. ‘Als je een pamflet in handen gedrukt krijgt, is het effect vrij klein. Games laten mensen reflecteren terwijl ze spelen, dus zijn niet dwingend in het overbrengen van de boodschap. Dat werkt heel goed bij het creëren van bewustzijn. Het voordeel van een game is bovendien dat hij redelijk kosten­effectief is: je hoeft hem maar één keer te maken.’

TEKST Geert Maarse

Naam: Ben Wubs
Leeftijd: 55 jaar
Studie: Erasmus School of History, Culture and Communication
Carrière: Associate Professor Economic and Business History, ESHCC

Fashion als lievelingskind van het kapitalisme


Als je iets wil begrijpen van de positieve én negatieve effecten van internationale handel, is er geen betere industrie om te onderzoeken dan de wereld van de mode, zegt economisch historicus Ben Wubs.

 

Katoen ging in de negentiende eeuw al vanuit Noord-Amerika de hele wereld over. En in de jaren zestig van de vorige eeuw waren kledingbedrijven een van de eerste die inzagen dat het slim was om hun productie uit te besteden naar lage lonen-landen. De mode – of zoals Ben Wubs het zelf consequent noemt: fashion – is een van de belangrijkste globaliserende factoren uit de recente geschiedenis. ‘Je hebt een paar naaimachines nodig, en mensen om ze te bemannen. Dan heb je al een fabriek.’

Fashion en ons economisch systeem

Wubs, die zelf niet zelden uitgedost gaat in een flamboyant kostuum, begeeft zich als onderzoeker op het snijvlak van kunst en bedrijfsleven. Hij doet zowel onderzoek naar de symbolische en culturele waarde van producten, als naar supply chains, prijsopbouw, protectionisme en maatschappelijk verantwoord ondernemen. ‘Fashion is, in de woorden van de Duitse socioloog en econoom Werner Sombart, het lievelingskind van het kapitalisme. Door het te onderzoeken kun je heel veel leren over ons economische systeem.’

Die industrie heeft wereldwijd een enorme welvaart opgeleverd, stelt hij. Dat maakt hem kritisch op de anti-globalisten die beweren dat de kledingindustrie tot op het bot verrot is. ‘Ik heb voor mijn onderzoek veel contact gehad met H&M, een bedrijf dat vaak wordt afgespiegeld als amoreel. Maar daar zijn hele duidelijke normen en heldere contracten die de omstandigheden bij sub contracters moeten waarborgen.’

Natuurlijk kent hij de misstanden, maar hij vindt de oplossingen die vaak opgeworpen worden te makkelijk. ‘Zo’n Trump die beweert dat hij de industrie terug wil halen naar de VS – dat is gewoon heel dom. Het gaat allemaal om kostenverhoudingen. Het enige wat hij kan doen is de grenzen sluiten, maar dan ligt binnen no time de hele industrie op z’n gat.’

Meer kennis over de keten

Daarnaast moeten we voorzichtig zijn in het opleggen van onze normen aan andere landen, die op een ander punt in hun ontwikkeling staan, zegt Wubs. ‘Vijftig jaar geleden was een rokende schoorsteen een teken van vooruitgang, nu zien wij het in het westen als vervuiling. Maar je kunt andere landen hun eigen ontwikkelingstraject niet ontzeggen. Het is heel leuk dat wij begaan zijn met mensen in Bangladesh en daar het werk onder bepaalde omstandigheden willen verbieden. Maar wat als die vrouwen anders in de prostitutie terecht komen?’

Waarmee hij niet wil zeggen dat we het maar gewoon op z’n beloop moeten laten. Hij pleit voor meer kennis over de keten. ‘Iedereen is de laatste tijd met voeding bezig, maar niemand weet waar zijn spijkerbroek vandaan komt. En dat terwijl de katoenproductie de afgelopen tien jaar verdubbeld is in omvang. Elke maand kopen we drie nieuwe shirts, om die vervolgens na een paar wasbeurten weg te gooien. Ik ben tegen die verspilling. Daar mag de overheid op het hoogste niveau ingrijpen. Niet met protectionisme, maar om de wereld echt beter en schoner te maken. Daarom geloof ik ook in de Europese Unie. Je hebt grote machtsblokken nodig om dit aan te kunnen pakken.

TEKST Geert Maarse