‘Vrijwilligerswerk brengt mensen nader tot elkaar’

Wetenschap in de praktijk

Iets goeds doen voor de samenleving en tegelijkertijd bouwen aan je vaardigheden, netwerk, teamgevoel of corporate identity. Dat is de belofte van service learning en corporate volunteering. Twee EUR-onderzoekers leggen uit hoe dat werkt, en hoe beslist niet.

Afbeelding: 

OVER LONNEKE ROZA
Lonneke Roza (1984) is onderzoeker aan de afdeling Business-Society Management van de Rotterdam School of Management. Ze promoveerde op een onderzoek naar medewerkersbetrokkenheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Tot op heden werd vaak aangenomen dat vrijwilligerswerk vanuit bedrijven hooguit budgetneutraal was of zelf geld kostte. Maar uit haar onderzoek blijkt dat zowel het bedrijfsleven als de non-profit organisaties aantoonbare voordelen hebben bij het stimuleren en faciliteren van sociale activiteiten door medewerkers. Ze wordt bij haar onderzoek, en het door haar opgerichte Kenniscentrum Maatschappelijke Betrokkenheid, gesteund door een coalitie van bedrijven: NUON, Alliander, IBM, KPMG, NN Group, ING, Vebego, Tommy Hilfiger en Ricoh.

OVER LUCAS MEIJS
Lucas Meijs (1963) is hoogleraar Strategische Filantropie en Vrijwilligerswerk aan de Rotterdam School of Management. Hij is gespecialiseerd in het management van vrijwilligersorganisaties, community involvement en de interactie tussen non-profit en andere organisaties, zoals het bedrijfsleven of onderwijs. In zijn onderzoek naar service learning richt hij zich op de vraag hoe vrijwilligerswerk in het onderwijs geïntegreerd kan worden zodat beide daarvan in gelijke mate profiteren.

Vorig jaar was Lonneke Roza mee met een bedrijfsuitje van een groot energiebedrijf. Geen potje paintballen of dagje Snow World dit keer, maar vrijwilligerswerk doen. Accountmanagers zetten zich samen met B2B-relaties een dag lang in voor Stichting Opkikker, een club die kinderen met een beperkingen hun gezin een dagje uit biedt. Na afloop was een van de medewerkers van het bedrijf in tranen. Een van de klanten zag het – ‘Jeetje, raakt het je zo?’ – en er ontstond een gesprek. Wat bleek: ze heeft zelf een kind dat chronisch ziek is. Maar niemand die het wist.

Roza, die talloze van dit soort activiteiten bijwoonde, ziet het regelmatig gebeuren: mensen die al jaren samenwerken en die elkaar tijdens een dag vrijwilligerswerk ineens op een totaal andere manier leren kennen. Met een andere, vaak sterkere band tot gevolg. ‘Hoe persoonlijker zo’n dag wordt, hoe meer mensen zich betrokken gaan voelen bij hun collega’s en het team.’

Lol hebben en iets leren

Vrijwilligerswerk bij wijze van teambuilding, als leermodule of als middel om de corporate identity te verstevigen. Het past in een trend waarbij maatschappelijke dienstverlening steeds vaker wordt ingezet om ook een ander doel te bereiken, zegt vrijwilligerswerkhoogleraar Lucas Meijs. ‘We zien dat mensen in toenemende mate expliciete doelen hebben met hun vrijwilligersactiviteiten.
Ze willen lol hebben, iets leren, nieuwe mensen ontmoeten of op een andere manier waarde toevoegen.’

Meijs en Roza gelden als autoriteit op het gebied van wetenschappelijk onderzoek naar vrijwilligerswerk en filantropie. Meijs is de gearriveerde professor die het veld in Nederland de afgelopen twintig jaar mede op de kaart zette. Roza is de jonge onderzoeker die als eerste in Nederland promoveerde op de rol van employee engagement bij corporate social responsibility.

Het bedrijfsleven is een rol van belang gaan spelen in de filantropie. Naar Angelsaksisch voorbeeld en geheel in lijn met de gedroomde participatiesamenleving, trekt de overheid zich op een aantal terreinen terug. Daarmee wordt meer verwacht van andere instituties. Van de 5,5 miljard euro die op jaarbasis in Nederland weggegeven wordt, komt 2 miljard van bedrijven, in geld en tijd. Dat is geweldig, natuurlijk. Maar komen de middelen ook goed terecht? Waarom doen bedrijven dit? En is de voorgespiegelde win-win-situatie, waarbij het mes aan twee kanten snijdt, echt mogelijk?

Zes keer hetzelfde muurtje

Het kan goed misgaan. Roza herinnert zich de jeugdzorginstelling waar ze een rondleiding kreeg. De directeur hield op een gegeven moment halt en wees naar een muurtje. Dat was afgelopen jaar zes keer geschilderd. Rood, roze, blauw, alles was voorbij gekomen. Wat bleek? Het wemelde van de bedrijven die op een woensdagmiddag even ‘wat goeds voor de samenleving’ wilden doen. Maar dan wel iets overzichtelijks graag, en een klusje waarbij snel resultaat geboekt werd. Roza: ‘Ik noem het vaak Sinterklaasje spelen. Zo’n bedrijf belt dan op en zegt: we willen volgende week met hon­derd man langskomen. De gedachte is: je geeft, dus je bent goed bezig. Maar je moet je afvragen wat die samenleving nodig heeft.’

Ze signaleert – ‘gelukkig’ – een professionalisering van samenwerkingen tussen bedrijfsleven en non-profit organisaties. Bedrijven faciliteren hun medewerkers in het doen van vrijwilligerswerk om drie redenen. Instrumenteel, dus omdat het wat oplevert. Niet ten onrechte: de reputatie van het merk KPN werd bijvoorbeeld significant beter nadat het bedrijf met hulp van medewerkers een campagne tegen eenzaamheid had gevoerd. Ten tweede zijn er bedrijven die vinden dat ze een intrinsieke maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben (vaak familiebedrijven, aldus Roza). En dan zijn er nog organisaties die onder druk van stakeholders aan de slag gaan met een maatschappelijk project: de overheid stelt steeds vaker eisen aan bedrijven die meedoen aan aanbestedingen, of de druk komt vanuit de medewerkers zelf.

‘Je wilt allemaal een baas bij wie je je thuis voelt. Waarmee je normen en waarden deelt. Voor een werkgever is het fijn als zijn medewerkers langer in dienst blijven’

Geraffineerde marketing?

Hoeveel mensen in dit soort verband en aan vrijwilligerswerk doen, is onduidelijk. Daarvoor is simpelweg nog meer onderzoek nodig. Wel bekend is dat veertien procent van de grote bedrijven de mogelijkheid aanbiedt. En dat leidt tot aantoonbaar meer loyaliteit en betrokkenheid, zelfs onder mede­werkers die wel weet hebben van de maatschappelijke activiteiten, maar er niet aan meededen. Roza: ‘Je wilt allemaal een baas bij wie je je thuis voelt. Met wie je normen en waarden deelt. Voor een werkgever is het fijn als zijn medewerkers langer in dienst blijven, want het kost veel geld om nieuwe mensen te werven en in te werken.’

Klinkt leuk. Maar is het niet een geraffineerde vorm van marketing, waarbij vooral het bedrijf zelf baat heeft? ‘Het is een strategische keuze van een bedrijf als NUON of KPN om hierop in te zetten, natuurlijk. Maar dat geldt net zo goed voor de non-profitorgani­satie, die dolgraag een beroep doet op de middelen die het bedrijf beschikbaar heeft.’

Als voorbeeld geeft ze De Zonnebloem, een organisatie die mensen met een fysieke beperking een dag uit bezorgt en daarbij gretig gebruik maakt van bedrijven die een maatschappelijk verantwoord teamuitje willen. ‘Het maakt, als je in een rolstoel behoefte hebt aan hulp, niet uit dat je in De Hermitage geduwd wordt door iemand van bedrijf A en de volgende keer in de Efteling door iemand van bedrijf B. Waar het om gaat, is dat beide partijen profijt hebben en er een gelijk­waardige relatie ontstaat.’

Leren en helpen tegelijk

Die uitdaging signaleert ook Lucas Meijs, die momenteel veel onderzoek doet naar een andere combi met maatschappelijke dienstverlening: service learning. Daarbij gaat het om vrijwilligerswerk als onderdeel van het onderwijs. Je doet iets voor de samenleving als onderdeel van een vak aan de universiteit, waarbij het een niet in dienst mag staan van het ander. En daar kan het wringen, zegt Meijs. Want zolang je echt iets aan het leren bent, kun je het nog niet. ‘Een mooi voorbeeld is dat je iemand die aan het lessen is voor zijn rijbewijs, geen taxi laat spelen voor gehandicapten of schoolkinderen. Terwijl het een uitstekend voorbeeld van service learning zou zijn.’

Hij legt uit. Er moet sprake zijn van een geplande leerervaring, binnen een universiteit, hogeschool of andere onderwijsinstelling. En het moet gaan om specifieke vaardigheden, die kwantificeerbaar en te toetsen zijn. ‘Mijn jongens doen van alles en nog wat bij Scouting. Maar dat is een ongeplande lee­ervaring. En hoewel ze best wat opsteken, zou je het lastig kunnen toetsen.’

Meijs doet niet alleen onderzoek naar het fenomeen, hij introduceerde service learning als een van de eersten in het Nederlandse onderwijs. Bij wijze van experiment liet hij een jaar of twaalf geleden bedrijfskundestudenten oefenen als consultant door ze zich te laten buigen over het diversiteitsbeleid van Rotterdamse vrijwilligersorganisaties. Hij zag hoe studenten veel meer leerden dan van de ‘dode cases’ die hij hen voorheen voorschotelde. En er kwam ineens een hele bak energie beschikbaar die voorheen opgesloten werd in de collegezaal.

Maar hobbels waren er ook. Meijs grinnikt. ‘Studenten zitten heel erg in hun twaalf weken-bubbel; zo lang duurt een vak bij ons. Ze vinden de buitenwereld interessant, maar hij moet niet moeilijk gaan doen. Dus als die praktijk zich ineens wat minder goed laat sturen, doordat er iemand ziek wordt bijvoorbeeld, staan ze gelijk bij mij voor de deur. Dan zeg ik: kom op, pak gewoon de telefoon. Dat hoort er straks ook bij.’

Of die keer dat studenten van hem aan de slag gingen met de verduurzaming van een kleinschalig operapodium in Rotterdam Delfshaven. Het eerste wat de opdrachtgever deed, was ze uitnodigen om mee te gaan naar een echte opera. En de studenten, niet echt operaliefhebbers, dachten: no way. ‘Dan zeg ik: als je straks consultant bent en je opdrachtgever vraagt je mee naar Ajax, dan ga je. Ook als je niet van voetbal houdt.’

Onderspit

De term gonst al een aantal jaar stevig rond in onderwijsland, maar vraag het Meijs en de goede voorbeelden van service learning zijn op een hand te tellen. Vaak slaat de boel door naar een van beide kanten. Artsen in opleiding die meelopen met verpleegkundigen in de thuiszorg zonder dat dat ingebed is in een vak, dat is gewoon leren, zegt hij. En studenten die een paar uurtjes meedraaien in de rechtshulp, zonder dat daar explicieter leerdoelen aan hangen?
Dat is heel mooi, absoluut, maar gewoon community service.

Ook trof Meijs de afgelopen jaren regelmatig maatschappelijke organisaties die helemaal niet geïnteresseerd waren in de nobele doelstellingen van service learning, maar die zijn studenten zagen als gratis arbeid voor dom werk. ‘Ik heb weleens gezegd: met u gaan we niet verder. Dan hadden ze een enquête liggen die ze snel uitgedeeld wilden hebben, zonder dat de student mocht meedenken over de onderzoeksvraag of de methodologie.’

Meijs pleit voor een centrum binnen de universiteit dat docenten helpt bij de implementatie van service learning. Hij heeft er zelfs al een naam voor: Communiversity

Communiversity

En eerlijk is eerlijk, ook binnen de universiteit zit lang niet iedereen op dit wondermiddel te wachten. Het vereist nogal wat netwerkvaardigheden om al die maatschappelijke organisaties zover te krijgen dat ze met een groep studenten aan de slag gaan. Het zijn niet allemaal briljante studenten, dus als ze een ondernemingsplan gaan schrijven, kan het ook zijn dat er het een en ander aan rammelt. Maar wat het echt lastig maakt, zegt Meijs, is dat heel onderwijsland zich gemakkelijker voelt bij feitjes stampen, vragen maken en een meerkeuzetentamen door de nakijkmachine draaien. ‘Als je met service learning aan de slag gaat, is de beoordeling veel complexer.

Meijs pleit voor een centrum binnen de universiteit dat docenten helpt bij de implementatie. Hij heeft er zelfs al een naam voor: Communiversity. ‘Hoe mooi zou het zijn als wij al onze eerstejaars bedrijfskunde – Engels en Nederlands bij elkaar zijn het er zo’n 1200 – bij het vak Finance de samenleving in zouden kunnen sturen? Zo van: ga naar de lokale sportvereniging, praat met de penningmeester, geef hem advies en schrijf een reflectie over je leerervaring. Dat zou financiën ineens heel erg inzichtelijk maken en de sportclub waarschijnlijk op een aantal fronten helpen. Maar het is een enorme klus.’

HELFT VAN DE NEDERLANDERS DOET VRIJWILLIGERSWERK

Iets minder dan de helft van de Nederlanders zet zich op vrijwillige basis in voor de samenleving, blijkt uit cijfers van het CBS. Het gaat hierbij om volwassenen (vijftien jaar of ouder) die ten minste een keer per jaar een vrijwillige activiteit ondernemen. Het grootste deel daarvan is actief op sportverenigingen (vijtien procent) en scholen (twaalf procent), maar ook (thuis)zorg en kerk leunen stevig op vrijwilligers. Het zijn vooral hoger opgeleiden die zich inzetten, met ruim 60 procent bijna twee keer zo veel als onder de laagst opgeleide groep. Hoeveel Nederlanders vrijwilligerswerk doen vanuit hun bedrijf of opleiding is, omdat het onderzoeksveld nog in de kinderschoenen staat, niet nauwkeurig vast te stellen. Schattingen lopen uiteen van vijf tot 25 procent. Wel lijkt het hier vaak te gaan om minder intensieve trajecten dan het ‘reguliere’ vrijwilligerswerk, waarschuwt Lucas Meijs. Iemand staat wekelijks te fluiten bij de voetbalvereniging, maar doet op jaarbasis slechts een paar uur vrijwilligerswerk in de tijd van de baas. Lonneke Roza: ‘Het zou interessant zijn om te kijken hoe die twee zich tot elkaar verhouden. Of iemand ook buiten werktijd vrijwilligerswerk gaat doen nadat hij een keer door zijn werkgever uitgenodigd is. Of dat er juist een verdringingseffect plaatsvindt. Dat kan natuurlijk ook.’

TEKST: Geert Maarse
FOTO’S: Jochem Sanders

Lonneke Roza en Lucas Meijs